« juni 2006 | Hoofdmenu | augustus 2006 »

31 juli 2006

In heaven, there is no beer.

Was ik dit weekend nu van plan om verschrikkelijk dronken te worden, of was er ditmaal sprake van de uitzondering die de regel bevestigt?

Het is hoe dan ook wederom niet gelukt, en dat spijt mij niets. Dan heb ik namelijk de verschrikkelijke kater ook niet. Ik ben ook eigenlijk niet zo'n drinker. Het is meer dat ik van het idee van drank houd, dan van de daadwerkelijke drank. Ooit deed ik, want ik ben tenslotte niet geheel genetisch onbelast op dit gebied, een halfslachtige poging tot het alcoholisme. De halfslachtigheid zat hem niet in het gebrek aan inname, destijds haalde ik met gemak een fles wodka op een avond. En dan kon ik nog redelijk recht naar huis lopen. Nee: het zat hem in de tijdsduur. Al met al heeft het, inclusief de opbouw, nog geen half jaar geduurd. En dit met een frequentie van, ik meen me te herinneren (de herinneringen aan deze tijd zijn wat vaag) zo'n vier keer per week. Hiervoor had ik nooit last van een kater. De zeldzame whiskey-gelagen hadden nooit enig negatief effect op mijn functioneren de volgende dag. Als mijn meedrinkend gezelschap het de volgende dag over de vreselijke kater had, zei ik meestal maar zoiets van: “ Ja: het is inderdaad wel heel erg deze keer. De kater.” Maar, behalve een wat moe gevoel, had ik eigenlijk geen idee wat dat nou inhield, zo'n kater. Tot ik mij dus tot het alcoholisme bekeerde. Nu was het niet zo dat ik daar toen helemaal geen reden toe had. Hoewel geen één reden in dit geval natuurlijk een goede reden is. Maar, achteraf gezien, was het ook weer niet zo heel erg onbegrijpelijk, dat ik juist deze periode in mijn leven aangreep om de bodem van die fles eens aan een nader onderzoek te onderwerpen.

Gelukkig werd ik gered door de katers, die steeds erger werden. Lichamelijk, maar vooral ook emotioneel. En het was al geen feest op dat gebied in mijn psyche, indertijd. Ook was het me altijd wel goed bevallen, om het zwarte schaap te zijn. En dat was ik ook al met reden, dus waarom zou ik dat nu ineens veranderen?

Het gevolg was dat ik ermee stopte. Geen druppel meer. Twee jaar lang. Ok: er zaten negen maanden bij dat ik niet in mijn eentje in mijn lichaam woonde, maar toch. Toch best lang.

Tegenwoordig drink ik dus zo nu en dan een borreltje 's avonds. Meestal laat ik het bij één, soms worden het er twee. Maar er zijn ook genoeg dagen dat ik helemaal niets drink. En dan zijn er nog de dagen dat ik verschrikkelijk dronken word (lees: dan heb ik wel vier of vijf alcoholische versnaperingen tot mij genomen, want ik ben snel aangeschoten (wat me wel weer een cheap date maakt)). Maar dat gebeurt dus bijna nooit. Alhoewel ik het wel vaak van plan ben. Dan heb ik dus alleen de voorpret. Niet de naweeën.

En daar is ook wel weer iets voor te zeggen.

23 juli 2006

De jeugd en de toekomst.

Iedereen die mij een beetje kent weet dat ik best een tikje ijdel ben. Maar ook dat ik iemand ben die altijd heel hard roept dat ware schoonheid van binnen zit. Een overtuiging waar ik helemaal achter sta. Alhoewel ik het leuk vind als mensen er wat van maken, een beetje hun best doen om uiterlijk goed voor de dag te komen, is dat voor mij niet waar het wezenlijk om gaat. Bij anderen.

Juist: andere mensen. Dat zijn alle mensen buiten mij dus. Want het houdt mij bezig, de laatste tijd zelfs meer dan normaal.

Het uiterlijke verval.

Ik betrap mezelf erop dat ik me af vraag hoe het zal zijn als de deur niet meer voor me open wordt gehouden. Als automobilisten niet langer glimlachend op hun rem gaan staan om mij over te laten steken als ik weer eens alle zebrapaden negeer. Of erger nog: als ze vaderlijk bezorgd gaan afremmen, omdat ik niet meer zo goed ter been ben. Hoe zal het zijn om een kroeg binnen te komen en alle mannelijke ogen wenden zich direct ongeïnteresseerd af? En hoe bedrijf je de liefde, zonder de bewondering, zonder de geruststellende wetenschap dat zijn hand zachtheid voelt daar waar het zacht hoort te zijn. Ik huiver bij de gedachte aan rimpels op plaatsen waar ik niet eens had gedacht dat ze er zouden kunnen zitten, laat staan dat iemand anders ze voelt. Of dat ik nooit meer zal horen dat ik het mooist ben als ik net wakker ben. Al heb ik dat zelf nooit begrepen.

En dan de gunsten. Het tafeltje in het overvolle restaurant. Die twee in de kantine die laatst over elkaar heen vielen om mijn koffie in te kunnen schenken. De lange wachtrijen die ineens veel korter blijken. De aangeboden stoelen en barkrukken. Hoe naïef ik ook kan zijn, ik realiseer me best dat ik soms dingen makkelijker voor elkaar krijg omdat ik toevallig geen lelijke trol met flink wat overgewicht ben.

Maar hoe lang nog? En hoe ga ik dat vinden? Ga ik werkelijk gewoon lekker genieten van al het mooie en fijne dat tijdloos is? Zoals muziek, de natuur, een goed gesprek en lekker eten. Ben ik wel zo wijs als mijn eigen woorden? Of steven ik hier recht op een mega midlife crisis af?

Het zou kunnen dat ik me ook hier wel weer doorheen relativeer. Net zoals ik dit stukje nu alvast ga relativeren door te zeggen dat ikzelf de laatste ben die zal zeggen dat ik nu zo'n mooie vrouw ben, zoals misschien lijkt uit bovenstaande. Want dat is niet zo.

En de oppervlakkigheid die eruit blijkt is mij ook duidelijk. Maar het voelt een beetje als de tijd dat ik me ineens af vroeg of er wel whiskey zou zijn, in de hemel. En harde muziek, sex om de lust en chocoladeijs. Toen ik ineens bedacht dat ze daar misschien alleen harpmuziek hebben, en verantwoorde voeding. En ik doodsangsten uitstond bij het idee daar de eeuwigheid door te moeten brengen. Tot ik me ineens realiseerde wat zonde het is me daar nu al druk over te maken. “ Dat zien we wel als het zover is,” was uiteindelijk afdoende om het probleem van de baan te schuiven.

Dus ik wacht eigenlijk op het verhelderende moment dat ik ga denken:

"Dat zie ik wel als ik een dikke ouwe taart ben, laat ik voorlopig nog maar even genieten.”

Zo lang het nog kan.

19 juli 2006

Rond.

Het is al donker, als ik besluit toch maar te gaan. Hier en daar flikkeren nog wat lampjes, de laatste flarden muziek sterven langzaam weg. Een eeuwigheid heb ik nagedacht. Alles duurt lang, als de tijd stil staat. Alle delen zorgvuldig afgewogen, voor, na en daartussen zat ook nog wel wat. De ratio maakte overuren en kwam telkens op hetzelfde punt uit. Tsja, de ratio...

De man doet net het raampje dicht als ik voor hem sta, hij kijkt me aan en zet het raampje op een kier. "Wat wil je?" Vraagt hij. Dat lijkt me wel duidelijk, hij zit hier niet voor niks. De man zucht, zijn blik dwaalt af naar een punt ergens achter mij terwijl ik hem even tijd geef om erover na te denken. In zijn ogen zie ik de plaatsen waar hij nu zo graag zou willen zijn, maar waar hij niet naartoe kan als hij op mijn vraag ingaat. Dan kijkt hij me strak aan. Even, heel even maar zie ik alle antwoorden weerspiegeld in zijn ogen. En in een nog kortere flits krijg ik al zijn vragen te zien. "Weet je nog hoe het de vorige keer afliep?" Vraagt hij. Ik weet het, maar ik ga toch. Hij scheurt zuchtend een kaartje af. "Waarom dan toch weer?"

Ja, waarom? Omdat ik de verleiding niet kan weerstaan, wil ik zeggen.

Maar ik zeg niets, omdat ik weet dat ik daarmee nog niet eens de helft van de vraag zou beantwoorden.

9 juli 2006

Uitzichtloos.

Over de Westertoren schrijven bleek de Goden verzoeken. Je mag wel blij zijn, maar je moet nooit te hard juichen. Dus ik raakte de Westertoren kwijt en kreeg als goedmakertje inzicht.

Over dromen die je blijven achtervolgen en alleen maar toenemen in hun vermogen je dag te overschaduwen met de herinnering aan de nacht. Als de dag allang plaats heeft gemaakt voor zijn tegenhanger, blijft de bittere smaak van de droom hangen, zoals van verrot voedsel dat telkens weer omhoog komt. Over hoe ik een labiel vat vol emoties word als ik niet kan ventileren, en mijn onvermogen daartoe. En over het onvermogen van anderen die er nog veel beter in zijn dan ik.

6 juli 2006

Westertoren.

Westertoren

De trappen, het zijn er negen, zijn van licht marmer. Ze lijken gemaakt om met blote voeten vanaf te rennen. Op weg naar vijftien minuten vrijheid. Al schijn ik de enige te zijn die er zo over denkt.

Ik ben in elk geval nog niemand tegen gekomen die dit genoegen met me deelde.

Ze weten niet wat ze missen.

Buiten ben ik kennelijk niet de enige die de geneugten van de andere trap kan waarderen. Hier zit je in de schaduw en er waait altijd een verfrissende bries. De anderen kan ik wel zien, vanaf deze trap. Zij zien mij niet, kijken niet omhoog. Druk zal het er niet snel worden. Het is er niet gezellig, het is koel en het biedt privacy. Maar in sociaal opzicht is het geen goede plek. Toch zie ik soms een sigarettenpeuk, en vandaag een vergeten pen. Het idee dat ik niet de enige ben die zich hier terugtrekt met een schrijfblok amuseert me.

Op het eerste gezicht volledig aangepast. Mij zul je niet snel meer zien schoppen, ik heb andere prioriteiten. Maar ik laat het ook veel makkelijker langs me heen glijden.

Ik tel gewoon mijn zegeningen.

Zoals mijn trappen.

En, niet te vergeten, de Westertoren.

3 juli 2006

Verraad.

We bewogen ons in dezelfde kringen.

Zij trok telkens naar me toe en overlaadde me met aandacht. Een tikje vreemd was ze wel, maar we hadden hetzelfde gevoel voor humor, en ik heb wel wat met een tikje vreemd. Bovendien had ik met haar te doen. Ze kwam uit een andere stad en daarom had ze hier geen vriendinnen. Zei ze.

Net als die andere vrouw uit onze kennissenkring, waar ik het ook altijd zo goed mee kon vinden, wilde ze graag eens bij me thuis komen.

De andere vrouw kwam nooit, die had nog enig gevoel voor moraal.

Zij kwam wel.

Ik stimuleerde haar om meer met haar dochter te ondernemen. Ze deed zelden iets met haar.

Liet haar meestal bij haar moeder. Ik nam ze mee naar het strand en vroeg ze te eten. Ik gaf haar geld, want dat had ze nooit. En haar prachtige dochter gaf ik soms kleding. Ze zat op mijn bank en aan mijn eettafel en ze sliep in mijn huis.

Ik gaf haar mijn aandacht, mijn tijd en mijn vertrouwen.

Ze kon het erg goed met hem vinden. Ze gingen samen nachtenlang uit en anderen vroegen mij soms of ik het wel vertrouwde allemaal. Natuurlijk deed ik dat.

Bij mij begon iedereen met een tien. Zij eindigde ver onder nul.

Later hoorde ik dat ze er erg mee zat nog. Ze miste mijn vriendschap.

Vriendschap?

Er was nooit sprake van vriendschap tussen ons.

Vriendschap en verraad zijn geen vrienden van elkaar.

Click