29 november 2009

20.00 uur

Samen in de tuin, onder een dekentje. Tien minuten van te voren al, je weet maar nooit.
Sssssst. Stil nou. Ik wil dit niet missen.
Zouden we het wel horen hier? Zijn we niet te ver weg?
Een paar keer horen we een kleine knal. Zou dat hem zijn geweest, of misschien toch die?
Het zou handiger zijn geweest als z’n verjaardag niet zo dichtbij oud en nieuw was.

En dan is er ineens onmiskenbaar de enorme knal van een lawinevuurpijl.
Voor J. D.

Zoveel beter dan bloemen op een graf.
Zoveel slechter dan zijn innemende grijns.

17 november 2009

17-11

Gisteravond wilde ik je bellen.
Jij zou er ook aan denken nu. Hoe hij daar zat, aan tafel. Brieven schrijvend, wodka drinkend.
Of er hij nog twijfelde.
Of hij twijfelde.
De brieven die hij niet schreef zijn veelzeggend genoeg.
Hoe hij zich gevoeld moet hebben.
Alleen. Zo alleen als je maar zijn kan.
Hoe hij daar stond, hoe hij daar lag.
Anderhalve centimeter staal door zijn hoofd, door mijn ziel.
Ik wilde je bellen. Zou je gebeld hebben. Maar ik was het even vergeten.
Even maar.

29 juni 2006

I.M.

22/09/1938 – 29/06/1995

Het ergste is, dat ik dingen begin te vergeten. Soms lukt het me echt niet meer om je mij voor de geest te halen.

Hoe je lachte, hoe je stem klonk, of hoe je liep.

Maar ik ben niet vergeten wie je was. Nee, dat nooit.

Omdat er zoveel meer is om niet te vergeten.

En omdat jij zoveel meer voor mij was.

15 april 2006

Wake up.

Urenlang zat ik bij zijn graf. Soms nam ik zelfs koffie mee.
En altijd mijn walkman.
Dit nummer.
Over and over again.

Vanavond zou ik willen dat het zo was.
Al was het alleen maar voor vanavond.

20 december 2005

Mathilda Zemel.

Mathilda Zemel was van goede komaf maar trouwde ver beneden haar stand.
In de tijd dat dit zich af speelde was je op je tweeëntwintigste al bijna een oude vrijster.
Wellicht speelde dat mee bij haar keuze voor de voddenboer. Of misschien was ze gewoon heel erg verliefd.
Ik houd het maar op verliefd, want ze was vreselijk jaloers. Altijd bang dat haar voddenboer er amoureuze verhoudingen met andere dames op na zou houden. In de jaren twintig van de vorige eeuw waren er nog geen zelfhulpboeken voor vrouwen waarin ze had kunnen lezen dat je mannen juist van je afduwt als je ze in hun vrijheid beteugelt. Al betwijfel ik of een dergelijk boek in het geval van Mathilda geholpen zou hebben. Haar jaloezie was eerder ziekelijk te noemen.
Iedere avond zocht ze de door haar voddenboer opgehaalde waar uit en viste daarbij zorgvuldig alle dameslingerie uit de baal kleding en lappen.
Ze knipte systematisch alle bandjes van de bh's, hemdjes en onderjurken zodat haar man deze niet meer stiekem cadeau zou kunnen doen aan andere vrouwen. De bandjes verdwenen in de kachel en Mathilda kon met een gerust hart gaan slapen.
Zo nu en dan mocht haar voddenboer een avondje met zijn vrienden naar het café van zijn vrouw. Al zorgde ze er wel voor dat hij van huis ging in zijn oudste, versleten kleding. Maar ze wist niet dat hij altijd eerst bij een vriendin langsging, alwaar een hij een mooi pak had weggestopt. Bij zijn vriendin maakte de voddenboer zich dan klaar om uit te gaan.
Zo leefden Mathilda jarenlang samen met haar voddenboer. Ze waren arm, maar als je haar zag zou je dat niet zeggen. Naar het schijnt had zij altijd nog het air van een rijke dame en keek ze onbekommerd op iedereen neer. Uiterlijk zag ze er altijd onberispelijk uit, al moest je niet onder haar kleding kijken. Mathilda kon knippen als de beste maar van verstellen had zij geen kaas gegeten. Haar onderkleding werd bijeen gehouden door veiligheidsspelden, maar niemand die dat zag. Wat ook niemand wist was dat haar huis bijna onbewoonbaar was door de verschrikkelijke bende die ze er van maakte - ook op het huishoudelijke gebied lagen haar talenten niet - en door het vuil tierde het ongedierte er welig. Uiteindelijk liep het niet zo goed af met Mathilda en haar voddenboer, maar de afloop zou het verhaal wel erg triest maken, dus die laat ik lekker weg.
Toch had ik haar graag gekend. Ik zou willen weten waarom ze zo jaloers was en vooral waarom ze zo'n puinhoop van haar leven maakte. Ook zou ik willen zien of het klopt wat mijn oma wel eens zegt: dat ik in sommige opzichten op haar lijk.
Zou ik mezelf enigszins herkennen in Mathilda Zemel, de moeder van mijn opa?
Ik hoop het toch niet.


9 november 2005

Rouw.(I)


Ik kon weer geheimen hebben
er was niemand meer die ze doorzag

ambities mochten weg
aan jou hoefde ik me niet meer te bewijzen

de zoektocht naar verklaringen voorbij
jij nam de antwoorden met je mee

geen angst meer voor onbekende pijn
gruwelijke pijn is mij niet langer vreemd

in één seconde van kind naar volwassen vrouw
jij nam mijn jeugd met je mee

mijn spiegel kan niet meer breken
hij ligt allang in duizend scherven

ik ben niet meer bang je te verliezen
mijn grootste angst kwam al uit

Jij ging dood



23 september 2005

Droom op je verjaardag.

22 September

Verdiept in een boek zit ik op de bank als de deurbel gaat.
Ik sta op en doe open.
In de deuropening sta jij.

Je ziet er uit alsof je net uit je werk komt, de houtstof zit nog in je krullen en je draagt dat zachte, dikke, geruite werkoverhemd.
Grijnzend kijk je me aan, je ogen stralen.
"Hey...", zeg je. Jouw naam voor mij, zolang niet uit jouw mond gehoord.
"Als ik droom, laat me dan alsjeblieft even niet meer wakker worden." Is mijn eerste gedachte.
We geven elkaar een dikke knuffel, het is veel te lang geleden.

Je stapt mijn huisje binnen en kijkt keurend om je heen.
"Best te doen toch zo?", zeg je. "Je plinten zitten alleen los.."
Je pakt je gereedschapskist en begint mijn plinten vast te zetten.
"Biertje?" Vraag ik.
"Ja, lekker."
"Zo, dat staat een stuk netter", zeg je, terwijl je naar de deur loopt en mijn sloten begint te controleren.
"Volgende keer neem ik effe wat anti-inbraakspul mee, voor je deuren", zeg je vervolgens.
Ik zeg dat dat goed is, maar dat je nu even moet gaan zitten, want we hebben een hoop bij te praten.

"Zo...", zeg ik, "Hoe is het daar nou?"
"Mooier dan ik uit kan leggen, meissie."
"En hoe gaat het met opa en oma?" Vraag ik.
"Ja, die hebben het heerlijk daar, oma loopt weer als een kievit nu ze haar been terug heeft en ze is weer helemaal gelukkig zo samen met opa. Opa kan nog steeds geen moment stilzitten, die is de hele dag met van alles in de weer. Hij heeft er weer een aantal nieuwe hobby's bij en al zijn jeugdvrienden zitten er ook, dus hij heeft het er maar druk mee."
Ik zie het voor me en glimlach.
"Maar hoe komt het nu dat je ineens weer hier bent?" Vraag ik dan.
"Ik miste jullie te erg, en het bleef me maar dwars zitten dat we geen afscheid van elkaar hadden genomen."
"Dus ik dacht ik ga gewoon terug, en dan doen we net of het niet gebeurd is allemaal." Zeg je dan, terwijl je de laatste slok neemt uit je bierflesje.
Ik kijk naar dat dierbare gezicht tegenover me en pak je warme, eeltige hand vast.
"Dat is goed pap, we doen gewoon net alsof het niet zo was..."

13 september 2005

God belooft geen rozentuinen.

Lang geleden, ergens heel ver hier vandaan, stonden ooit voor God drie mensenkinderen.
God pakte een rode en een gele emmer.
"Charme", stond er op de rode emmer, en op de gele stond: "Uiterlijk". Hij nam een handje uit de rode emmer en strooide het over het eerste kind. "jij hebt hier niet veel van nodig, bij jou schoot ik uit al met mijn zwarte-emmer." Zei God. "Bovendien kreeg jij meer dan genoeg uit mijn gele emmer, meer dan goed voor je zal blijken te zijn", vervolgde hij met zijn Goddelijke, vooruitziende blik.
Het tweede kind kreeg zoveel uit de rode emmer dat er niet zoveel meer uit de gele emmer nodig was. "jij krijgt van mij het vermogen om mensen aan te trekken met je aanstekelijke lach en je stralende ogen." Zei God.
God keek eens diep nadenkend naar het derde kind. "Jij krijgt uit beide emmers evenveel". Zei hij. En God pakte wat minder uit de rode emmer dan bij het tweede kind, en wat minder uit de gele dan het eerste kind kreeg. "Zo red jij je wel." Zei hij tegen dit kind.

Toen pakte God een blauwe emmer. "Gevoel", stond er op. Het tweede kind kreeg alvast een ruime handvol, terwijl het eerste en het derde kind stonden te wachten. "Ik ben zo terug" Zei God tegen de kinderen. "Ik haal even een nieuwe zak gevoel, de emmer is bijna leeg." God liep weg richting de opslagwolk terwijl hij over zijn schouder riep: "Nergens aankomen hè, jullie?"

Het tweede kind zei tegen de anderen: "Ik ga even richting die schuimige wolk daarginder, want ik hoorde net dat ze daar bier hebben."
Waarop het laatste kind tegen hem zei: "Is dat wel verstandig, en zou God dat wel goedvinden?" "God weet wel dat ik iemand zal zijn die alles gaat doen wat hij verboden heeft, hij heeft me immers zelf gemaakt." Antwoordde het tweede kind. En verdween na nog even snel een vette knipoog gegeven te hebben richting het laatste kind.

De andere twee kinderen bleven staan. Het eerste kind keek naar het restje gevoel in de blauwe emmer en dacht bij zichzelf: "Wat zou zoiets nou opbrengen, daar beneden, als ik wat achterover zou drukken." Het laatste kind zag het eerste kind kijken en zei boos: "Je blijft er af hoor, ik weet heus wel wat je van plan bent!" Het laatste kind pakte de emmer op en drukte hem stevig tegen zich aan. Maar dat pikte het eerste kind niet. Dit kind probeerde de emmer uit de handen van het laatste kind te trekken, die hem met alle macht probeerde vast te houden. Maar het eerste kind was groter en sterker, de emmer schoot los uit de armen van het laatste kind. Het laatste restje gevoel dat nog in de emmer zat viel allemaal over het laatste kind heen, en het was veel meer dan het had geleken, in de emmer, God had er wel vijf kinderen mee van gevoel kunnen voorzien.

Plotseling hoorde de kinderen de bulderende stem van God. "Dat was ontzettend dom van jullie", schreeuwde hij. De kinderen keken angstig op van de lege emmer en zagen een vertoornde God voor zich staan. God richtte zich tot het eerste kind en zei: "Jij krijgt voor straf niets uit de blauwe emmer, en dat is een hele zware straf, maar daar hebben we het nog wel eens over als je ergens in de volgende eeuw weer voor me staat." Vervolgens stuurde God het eerste kind naar beneden, want vandaag was het de verjaardag van dit kind.

Toen keek God het laatste kind diep in de ogen, zijn stem werd zachter toen hij zei: "Maar jij probeerde de emmer alleen maar te beschermen hè? Als beloning laat ik je dat extra gevoel behouden."
"Maar is dat niet vreselijk lastig voor mij dan?" Vroeg het laatst overgebleven kind.
"Ja dat is lastig, was God's antwoord, Heel erg lastig zelfs, maar ook een grote zegen."
"Waarom is dat een zegen dan?" Vroeg het kind nieuwsgierig.
"Daar kom je nog wel achter, dat beloof ik je." Zei God.


27 juli 2005

PS: Ik hou van je.

We kwamen bijna op hetzelfde moment aanrijden.
De lange man stapte uit zijn auto en ik liep naar hem toe.
De begroeting was hartelijk, na tien jaar.
Samen liepen we naar het eind van de mooie, rustige begraafplaats.
"Hier ligt ze", zei hij.
Zelden zag ik zo'n mooi, passend graf.
De steen, gemaakt door een kunstenaar, lila-grijs. Omringd door een zee van lila klokjesbloemen.
Mijn zonnebloemen kregen een mooi plekje vooraan.
"Het is een prachtig graf", dacht ik, "maar jij zou hier niet moeten liggen.
Je was één van die mensen van wie je het het minst verwacht; te vroeg sterven.
Zo'n krachtige persoonlijkheid, zomaar weg..

Vanavond bezocht ik het graf van mijn "tweede moeder".
Toen ik zeven jaar oud was kwamen zij en haar man bij ons in de straat wonen.
Ze gaven een open huis voor de hele straat, want ze wilden met iedereen kennismaken.
Ik herinner me van die avond alleen nog dat ik voor het eerst kaviaar at en de enorme stapels stripboeken die ze hadden.
"Dit gaat nooit lukken in één avond", dacht ik met mijn zeven-jarige logica, de stripboeken in ogenschouw nemend.
"Kom morgen maar terug", zei jij.
De volgende dag ben ik teruggegaan naar het huis dat al snel mijn tweede thuis zou worden.
Ik maakte nader kennis met de vrouw die een grote rol in mijn verdere jeugd zou gaan spelen.
Een bovenmatig intelligente, sociale, lieve, warme vrouw.
Zelf kon ze geen kinderen krijgen, maar ik was een beetje haar kind zei ze.
Met haar voerde ik de gesprekken die ik met mijn moeder niet kon voeren.
Gesprekken over politiek, psychologie, nieuws en wetenschap.
Samen bakten we appeltaarten en losten we cryptogrammen op.
Ze lokte discussies uit, zei:"maar als je het nu eens zo of zo bekijkt"?
Een geliefde vrouw, zeker niet alleen om haar mooie uiterlijk.
Ik bewonderde haar, keek tegen haar op.
Waarschijnlijk snapte ik niet zo goed waarom ze mij zo graag zag, waarom ik altijd zo welkom was.

Toen ik achttien was zijn zij en haar man verhuisd naar een andere plaats.
Het contact bleef maar werd steeds minder frequent.
Tien jaar geleden zag ik haar de laatste keer.
Vaak dacht ik aan haar, dacht ik: "morgen bel ik en ga ik langs".
Het kwam er steeds niet van.
Maar enige tijd terug belde ik dan toch.

Te laat..
Ze was drie jaar geleden overleden.
In een mooie brief met spijt dat hij niet wat meer moeite had gedaan me te vinden voor de begrafenis, nodigde haar man me uit om samen naar haar graf te gaan.
Vanavond ben ik gegaan
.
Ik heb spijt.
Heel veel spijt dat ik niet jaren eerder ben gegaan.
Toen ze nog leefde.
Maar ik wist het niet.


5 juli 2005

Oma.

Mijn oma is een bijzonder mens.
Het is sowieso bijzonder dat ze er nog is want ze heeft al acht jaar een onbehandelbare vorm van lymfeklier-kanker en volgens de doktoren had ze er allang al niet meer moeten zijn.
Zelf kijk ik er niet zo van op want ze komt uit een onverwoestbaar geslacht, deze dame.
Eenentachtig is ze en al haar zussen ,allemaal rond de tachtig, leven nog. Haar moeder heb ik ook nog gekend, die is zesennegentig geworden..ik bedoel maar.

Eén keer per week komen ze bij elkaar, mijn oma en haar zussen. Altijd op woensdagmiddag en altijd van 14.00 uur tot 16.00 uur stipt. Zodat ze allemaal om 17.30 weer thuis zijn want dan begint "de bold" en das onmisbaar natuurlijk.
Ik zit er wel eens bij, bij het gezusterlijk samenzijn en dat is best een aparte ervaring.
Ze praten namelijk aan één stuk door, allemaal door elkaar heen en niet met elkaar maar tegen elkaar, of misschien alleen om zichzelf te horen praten. Dat weet ik niet en dat ga ik ze ook niet vragen want ik wil wel beleefd blijven.

Het mooist vinden ze het als er iemand bij is, zoals ik dus wel eens. "Haaa, vers bloed", zie je ze dan denken. Om je vervolgens met z'n vieren te bestoken met vragen: "Heb je nu al een vriendje? Hoe is het met je dochter? hoe gaat het op school? eet je wel goed?" En dan luisteren ze trouwens wel (schijnbaar) geïnteresseerd naar mijn antwoorden.
Om daar vervolgens weer met elkaar over in discussie te gaan:"Nee, dat zei ze toch net.
Ja, je moet wel luisteren. Neehee volgens mij zei ze toch echt dat"....enz.

Maar dat vind ik helemaal niet erg, integendeel: ik zit te genieten. Ben blij dat ze elkaar nog hebben en dat ze zo graag in elkaars gezelschap zijn.

Op dit moment is ze met vakantie, mijn oma. Ze gaat al tien jaar naar hetzelfde hotel op de Veluwe. Vroeger altijd samen met mijn opa en zus G. en haar man. De laatste jaren, sinds het overlijden van de man van zus G. en mijn opa alleen met zus G.
Nu is het zo dat ze het daar al drie jaar niks meer aan vind, (zegt ze). Want het eten is vreselijk. "Veel te peperig, het blijft gewoon in mijn keel hangen dat peperige eten en dan doen ze ook nog overal sausjes overheen, ik zeg maar: je doet toch geen saus over je kipfilet?"

Maar wat ze dan weer wel "best leuk" zegt te vinden, zijn de activiteiten. En daar gaan ze eigenlijk stiekem voor, voor de "activiteiten".
Want er is van alles te doen in dit hotel in de bossen. Zo is er op zaterdagavond een volksdansavond (waar ze geestdriftig aan meedoet), op zondagavond een diavoorstelling met "allemaal mooie dia's van andere landen enzo" en verder wordt de week verrijkt met een kaartavond en een bingoavond.

Overdag gaan ze een stukje wandelen in het bos (lees: het bospad af en weer terug) of op het terras van het hotel zitten om te kijken wie er allemaal langslopen.
En dan is er nog het hoogtepunt van de week: Het bezoek aan het dorp. Daar gaan ze bij de HEMA koffie drinken met "iets lekkers" erbij.
Nu woont ze zelf niet bepaald in een dorp en een HEMA heeft ze op tweehonderd meter afstand van haar huis, maar daarom gaan ze daar ook heen want "dat kennen we tenminste en daar rekenen ze niet van die belachelijke prijzen voor een kop koffie".

Maargoed, toch heel wat als je éénentachtig bent om nog samen met je drieeëntachtig jarige zus op vakantie te gaan.

En als je als kind als paria werd behandeld omdat je uit een communistisch nest kwam en je hebt later je man jaren verzorgd omdat hij een dwarslaesie kreeg toen je zelf net drie kleine kinderen had, om hem vervolgens te verliezen aan de dood terwijl je zelf nog geen dertig was.
En als je desondanks altijd vrolijk bleef, ook toen je uit ellende maar met een hele saaie man (sorry opa) bent getrouwd omdat hij een uitweg bood uit een straatarm bestaan en een kans om je kinderen eens behoorlijk te eten te kunnen geven.
Om hem vervolgens later ook jaren te moeten verzorgen omdat hij kanker kreeg en hem ook te moeten verliezen terwijl je eigenlijk best heel veel van deze saaie man was gaan houden, omdat ie toevallig wel heel erg lief was.
En als je dan ook nog trouw bent gebleven aan je (inmiddels) socialistische principes en je bent op je éénentachtigste nog steeds lid van de vakbond, terwijl geen instantie jou ooit echt geholpen heeft. En je bent altijd blijven lachen.
Dan heb ik respect voor je.
En gun ik je nog heel veel vakanties in dat hotel op de Veluwe, samen met je zus.

29 juni 2005

Dan ben je nergens meer.

"Heb je me echt vast, pappa?"
"Jaahaaa, natuurlijk houd ik je vast", zei je, terwijl je me allang losgelaten had. En:"Zie je nou wel dat je het kan", toen ik ondekte dat ik al zeker 3 minuten los aan het fietsen was.

Later zou ik nog veel meer van je leren.
Mensen helpen, als ze financieel of emotioneel omhoog zitten.
Koppig zijn als het kan en toegeven als het moet.
Relativeren..
Mijn leven niet laten verwoesten door alcohol.
Voor mezelf opkomen.
Genieten van lekker eten.
Mijn beloftes nakomen.
Trouw zijn in liefde en in vriendschappen.

Je leerde het me door zelf zo te zijn en soms ook door zelf juist niet zo te zijn.
Maar ik keek tegen je op, nam het in me op.
Tot ik ouder werd en jij van je voetstuk viel.
We hebben onze strijd gestreden. Een heftig gevecht, tussen twee mensen die misschien wel erg op elkaar leken.
Gelukkig hebben we nog wat tijd gehad daarna. De jaren na de ruzies en het onbegrip. Nachtelijke gesprekken, urenlang konden wij praten. Toen heb ik je pas echt leren kennen, begrijpen ook. En jij werd mijn spiegel, keek dwars door me heen.
Jij was het die zei: Maar als jij "zo" doet, betekent dat juist dat je gelukkig bent..

Tot je er ineens niet meer was, en de wereld stilstond.
En ik een tijd niet wist hoe dat nou moest met mijn wereld, zo zonder jou erin.

Maar ik hoorde vaak je stem in mijn hoofd, je zei "het komt wel goed".
En het kwam ook goed, anders, maar toch goed.
Ondanks dat je er niet was toen je kleindochter geboren werd en op zoveel andere momenten.
Ergens heb ik het idee dat je haar toch wel ziet. Dat je ons nog een beetje in de gaten houdt.

Vandaag 10 jaar geleden.
Het lijkt lang.
Het is lang.
Veel te lang.

Lieverd,
ik mis je.